Vliegvissen

Vliegvissers lopen actief langs oevers of wadend door ondiepe, stromende beken. Je vist vaak lopend. Vanaf de oever heb je open plekken nodig. Zo kun je de lange vliegenlijn goed uitwerpen.

Je vist met imitaties van insecten en vislarven. Vis ziet deze imitaties vooral. Daarom werkt vliegvissen het best in helder water. In stilstaand en langzaam stromend water richt je het visstandbeheer op helder, plantenrijk water. Zorg ook voor een evenwichtig bestand van ruisvoorn en snoek.
In stromende beken waardeer je soorten als beekforel, vlagzalm, kopvoorn en winde. Stem het beheer af op het leefmilieu van deze soorten. Dat vergroot hun kansen en maakt vliegvissen aantrekkelijker.
De Sportvisunie ondersteunt maatregelen die helder water en plantenrijkdom bevorderen. Zo verbeter je de kansen voor vliegvissers en voor de visstand.
