Korstvissen (oppervlakte)
- Kies een kleine korst van 1-2 cm.
- Gebruik een lichte hengel en dunne lijn (14-16/00).
- Dip de korst in water voor extra werpgewicht.
- Werp subtiel in de buurt van planten of scholen vis.
- Let op kringen of lijnbeweging en sla op tijd aan.

Subsurface dobberen (net onder oppervlak)
- Gebruik een verzwaarde vlokdobber met centraal gat.
- Bevestig de dobber met rubber stoppers om de diepte aan te passen.
- Gebruik geen of weinig lood tussen dobber en haak.
- Vang grote vis met broodvlok, kleinere vis met maden.
- Zoek actief naar vis of lok ze met drijvend brood.

Passief op de bodem
- Voer met blikmaïs om de vis te lokken en vast te houden.
- Gebruik 1 tot 3 zachte maïskorrels op de haak.
- Experimenteer met afzinksnelheid met behulp van knijphagels.
- Gebruik een slanke dobber voor beetregistratie tijdens het afzinken.
- Heb geduld; deze methode vraagt rust en tijd.

Schuifmontage
- Gebruik een klein wartelgewicht of lichte voerkorf.
- Laat het aas langzaam zinken, bijvoorbeeld met een wafter.
- Langere onderlijn (50 cm+) geeft trager zinkend aas maar minder beetregistratie.
- Gebruik mini-voerkorfjes om voer subtiel aan te bieden.
- Maak maden drijvend met foam of nepmade voor een opvallend aas.

Met de vlieg
- Gebruik een lichte vliegenhengel (Aftma klasse #2, #3 of #4) met drijvende lijn.
- Kies voor red tag, nimfen of kleine insectenimitaties.
- Werp gericht naar zichtbare vis in ondiep, helder water.
- Sluip naar de vis toe om ze niet te verjagen.
- Plaats de vlieg vlakbij de vis en wacht rustig af.

Rovende ruisers
- Gebruik kleine spinners van 1 tot 2 gram.
- Een ‘red tag’ op de haak vergroot de kans op aanbeten.
- Vis langs rietkragen, waterlelies en boven waterplanten.
- Ook wormachtige softbaits kunnen succesvol zijn.

