Op zoet water is terugzetten voor veel sportvissers de norm. Zeker bij grotere vissen: een metersnoek of een oude karper is in veel wateren schaars. En die vissen hebben vaak ook 'status': ze worden individueel herkend, soms zelfs bij naam, en meerdere keren gevangen. Dan voelt meenemen al snel alsof je het clubicoon uit het stadion tilt.
Op zee ligt het vaak anders. Daar is het meenemen van vis — boven de minimummaat en binnen eventuele vangstbeperkingen — voor veel zeevissers heel normaal. En eerlijk is eerlijk: vers gevangen wijting, schar of zeebaars is culinair aantrekkelijk. Het verschil met zoet zit ’m ook in smaak en beleving. Zoetwatervis wordt minder vaak meegenomen omdat sommige soorten meer graten hebben of minder geliefd zijn in de keuken, met uitzonderingen zoals baars en vooral snoekbaars.
De sterke ‘catch & release’-cultuur op zoet water heeft ook een geschiedenis. In de vorige eeuw had het binnenwater te lijden onder vervuiling en overbevissing. Sportvissers zagen daardoor al vroeg het belang van terugzetten om bestanden te laten herstellen. Die houding is gebleven, zeker op wateren waar grote vissen belangrijk zijn voor de beleving en voor de visstand.
Tegelijk is het meenemen van een zelf gevangen vis niet per definitie verkeerd. Je zou het zelfs het meest eerlijke 'scharrelvlees' kunnen noemen. Of het verantwoord is, hangt af van het water en de visstand. Daarom zijn er kaders vanuit de Visserijwet en, op zoet water, aanvullende regels van de visrechthebbende. Naast minimummaten en maximummaten spelen vangstlimieten en terugzetverplichtingen een rol. Veel verenigingen en federaties hanteren bijvoorbeeld een meeneemverbod voor karper en snoek, en soms zelfs een totaal meeneemverbod.

