In het kader van de Europese Kaderrichtlijn Water werken waterbeheerders aan het verbeteren van de waterkwaliteit. Dat is nodig en belangrijk. In de praktijk leidt deze druk soms tot vergaande ingrepen om wateren zo snel mogelijk helder te krijgen. Daarbij wordt steeds vaker gebruikgemaakt van technische oplossingen die diep ingrijpen in het ecosysteem.
De Kralingse Plas in Rotterdam laat zien wat de risico’s hiervan zijn. Dit water kampte jarenlang met ernstige blauwalgenbloei, met gezondheidsrisico’s voor mens en dier en overlast voor recreatie. Na eerdere maatregelen, zoals het wegvangen van brasem en het aanbrengen van een zandlaag, werd in 2016 gekozen voor het toevoegen van waterstofperoxide aan het water.
Deze behandeling werkte effectief tegen blauwalg. De plas bleef een hele zomer helder. Enkele maanden later bleek echter dat de visstand met maar liefst 93% was afgenomen. Onderzoek wees uit dat het zoöplankton vrijwel was verdwenen, waardoor vissen onvoldoende voedsel hadden en massaal stierven.
Voor de Sportvisunie is dit een duidelijk voorbeeld van symptoombestrijding. Het gebruik van chemische stoffen en andere vormen van geo-engineering kan onbedoelde en moeilijk te beheersen effecten hebben, zeker in grotere watersystemen. Wat op korte termijn een oplossing lijkt, kan op langere termijn leiden tot nieuwe en ernstigere problemen.
Dit voorbeeld staat niet op zichzelf. In de aanloop naar 2027, wanneer al het oppervlaktewater aan de Europese normen moet voldoen, zien we vaker maatregelen zoals het grootschalig verwijderen van bodemwoelende vissen of het introduceren van exoten zoals de quaggamossel. Zulke ingrepen schieten hun doel voorbij en brengen risico’s met zich mee voor natuur, visstand en recreatief gebruik.

