Het overzetten van vis door sportvissers naar een ander water komt gelukkig steeds minder voor, maar gebeurt nog altijd. Deze praktijk is verboden en brengt grote risico’s met zich mee. Het kan schade veroorzaken aan bestaande vispopulaties, leiden tot vissterfte en het plezier van andere sportvissers aantasten.
Vooral binnen de karpervisserij werden vroeger soms bijzondere of grote vissen verplaatst. Bijvoorbeeld omdat een ander water geschikter zou zijn, of om de vis later dichter bij huis opnieuw te kunnen vangen. Ook het overzetten van vis van openbaar water naar commerciële visvijvers kwam voor. Tegenwoordig gebeurt dit nauwelijks meer, mede door strengere controles en betere herkenning van vissen.
De belangrijkste reden om vis altijd terug te zetten in hetzelfde water is het voorkomen van ziektes. Onder vissen, en vooral onder karpers, komen ernstige virusziekten voor zoals voorjaarsviraemie en het Koi Herpes Virus. Deze ziektes zijn vaak niet zichtbaar aan de buitenkant van een vis. Een ogenschijnlijk gezonde vis kan toch drager zijn en een heel visbestand besmetten. De gevolgen kunnen groot zijn: soms sterft een volledig karperbestand.
Daarnaast zijn vissen sterk aangepast aan hun leefomgeving. Ze kennen hun water, weten waar voedsel te vinden is en waar ze kunnen paaien, schuilen en overwinteren. In een ander water gelden andere omstandigheden. Veel vissen kunnen zich daar slecht aan aanpassen, wat leidt tot stress, verzwakking en uiteindelijk sterfte.
Een bekend voorbeeld is het uitzetten van riviervis in stilstaande visvijvers. Deze vissen zijn gewend aan stroming en ander voedsel en redden het vaak niet in een totaal andere omgeving.

