Een vis heeft meer nodig dan mooi en schoon water. Hij heeft ook paai-, opgroei-, voedsel- en overwinteringsplekken nodig. En die liggen lang niet altijd bij elkaar. Vissen moeten dus heen en weer kunnen zwemmen tussen die gebieden.
Gelukkig is er veel vooruitgang. Industriële lozingen zijn aangepakt en afvalwater wordt beter gezuiverd. Ook is op veel plekken gewerkt aan een betere leefomgeving, bijvoorbeeld met visvriendelijke oevers en het onderhoud van watergangen. De Sportvisunie heeft dit soort maatregelen al jaren op de agenda gezet bij waterbeheerders en politiek.
Maar er blijft één grote bottleneck: obstakels. Dammen, stuwen, sluizen en gemalen kunnen een rivier of beek in stukken knippen. Dan voelt een vis zich als een marathonloper die bij elke kilometer een dicht hek tegenkomt. Daarom is het opheffen of passeerbaar maken van barrières noodzakelijk.
Die aandacht groeit, ook internationaal. In de Kaderrichtlijn Water speelt een gezond ecosysteem een grote rol, en vissen horen daarbij. Knelpunten zijn beter in beeld, er komen meer vispassages en vistrappen, en gemalen worden steeds vaker uitgerust met visveilige pompen. Ook de overgang tussen zout en zoet is verbeterd, met als bekend voorbeeld de Haringvlietsluizen die sinds 2018 vaker op een kier staan.
De resultaten zie je terug. Sommige trekvissen laten weer voorzichtig herstel zien, en ook standvissen profiteren van betere verbindingen. Tegelijkertijd zijn we er nog lang niet. Waterkrachtcentrales in stromend water blijven een groot risico: vissen kunnen in turbines gewond raken of sterven, vooral als er meerdere centrales in één rivier staan. Zonder goed werkende geleiding en veilige passages is waterkracht op papier duurzaam, maar in het water vooral schadelijk.

