Waterplanten vormen de basis van een gezond onderwaterleven. Veel vissoorten gebruiken planten om te paaien, te schuilen of om voedsel te vinden. In en tussen waterplanten leven insecten en kreeftachtigen, die op hun beurt weer belangrijk zijn voor vissen.
Tegelijkertijd kan een overmatige groei van waterplanten grote problemen veroorzaken. In steeds meer plassen, meren, sloten en vijvers groeien wateren letterlijk dicht. Dat belemmert het vissen, maar raakt ook zwemmers, zeilers en andere waterrecreanten. Belangrijker nog: ook de visstand komt in de knel.
De sterke toename van waterplanten hangt samen met schoner water. Door een afname van voedingsstoffen wordt het water helder, waardoor zonlicht de nog voedselrijke bodem bereikt. Dat stimuleert massale plantengroei. In sommige grote wateren is dit effect versterkt door het sterk verminderen van brasem, een vissoort die waterplanten en bodemdieren beïnvloedt.
Te veel waterplanten zijn schadelijk. Vissen kunnen zich niet meer verplaatsen en bij het afsterven van planten in het najaar kan zuurstofgebrek ontstaan. Dat leidt tot vissterfte en verslechtering van de waterkwaliteit.
Daarom is beheer nodig. Overheden zijn verantwoordelijk voor het waterbeheer en moeten zorgen voor een doordachte aanpak. Gericht en visvriendelijk maaien hoort daarbij. In kleinere, afgesloten wateren kan ook de inzet van graskarper een effectieve en natuurvriendelijke oplossing zijn om waterplanten binnen de perken te houden.

